“Het onstaan van de Verenigde Oost-Indische Compagnie”
<span style=FONT SIZE=14pntNadat verschilende compagniexebn gevormd werden en er een wildgroei ontstond in de reizen naar Azixeb greep de Staten-Generaal in met de vorming van de VOC. Het is duidelijk dat het voor de VOC van groot belang was dat men zo snel mogelijk op de plaats van bestemming kon komen. Daarvoor gebruikte men in het begin de Portugese route en de ervaringen van de voorgangers. De schepen werden uitgerust met de best bijgewerkte zeekaarten, kustschetsen, allerlei meetinstrumenten. Ook andere waarnemingen als veranderingen van de waterkleur, soorten vogels en vissen droegen bij tot het bepalen van de positie. Voor de VOC-schepen was er ook de “seynbrief”. Deze vaaropdrachten werden samen gesteld door de besturen van de VOC-kamers uit de gegevens van de logboeken en de ervaringen van de terugkerende schippers. Zo werden de volgende reizen bij gestuurd. Zo moesten de schepen van de uitvarende vloot uit Texel zich bij het Engelse eiland Wight voegen bij de schepen van de zuidelijke Kamers. Zo vormden zij een steviger blok tegen de kapers, die altijd op de loer lagen.
Na het passeren van Canarische eilanden voeren zij zo snel mogelijk naar de Braziliaanse kust hier voeren de schepen op de ‘Brazielstroming” en maakten zij gebruik van de altijd aanwezige passaat wind. Deze kust werd op gepaste afstand gevolgd totdat een uitkijk meldde dat het ‘bruine water’ in zicht was. Dit was de modderige uitloop van de Rio de la Plata, bij Buenos Aires, die mijlen uit de kust zichtbaar was. Iedere wacht werd er een lijn, voorzien van knopen met een kleurig lint over boord gezet. Gelijktijdig werd met een zandlopertje de overboord gelopen knopen geteld. Hiermee werd de vaarsnelheid gemeten. de windsnelheid werd vastgesteld aan de mogelijkheid van de te voeren zeilen. Al deze genoemde gegevens werden door de Schipper bij geschreven in het scheeps journaal evenals zijn waarneming van: De koppen op de golven, bewolking, de kleur van ‘t water, vogels als verraders van de nabijheid van land. Dat deze reizen veel stuurmans kunst vereiste mag duidelijk zijn. de VOC zorgde voor verschillende opleidingen voor haar officieren. Zo verscheen in 1621 van de Examinator der stuurlieden van de Kamer van Amsterdam, Cornelis Jansz. Lastman het invloedrijke leerboek ‘De schatkamer des Grooten Seevaerts-kunst’
Foto: De VOC in de kaart gekeken
HET ASTROLABIUM
Voor de positiebepaling werd lange tijd gebruikgemaakt van het astrolabium om via het ‘sterren schieten’ te weten hoever men opgeschoten was. Het astrolabium kan gezien worden als een metalen voorganger van de tegenwoordig veel gebruikte planisfeer, een draaibare sterrenkaart, zij het dat bij een astrolabium de kaart (de rete) bovenop ligt en de horizon (aangegeven op het tympanum) er onder. Een astrolabium verschilt verder van een planisfeer in het feit dat het een stereografische projectie gebruikt, waarbij alle cirkels op de hemelbol weergegeven zijn door cirkels op het vlak van het instrument. Zowel het astrolabium als de planisfeer zijn geschikt voor het lokaliseren van vaste sterren, maar zijn niet geschikt voor het lokaliseren van zwevende sterren, de planeten.
De Jacbsstaf
De Graadstok of Graadboog was ook een zeer oude manier van plaatsbepaling met de zon vooraan. Reeds bij de eerste verre zeereizen kenden navigators het verband tussen de hoogte van de zon op het midden van de dag-of de hoogte van de poolster ‘s nachts- en de geografische breedte waarop het schip zich bevond. Nadat goede mechanische tijdmeters waren uitgevonden, kon men ook de geografische lengte bepalen door (gecombineerd met een tijdaflezing) de hoogte van een hemellicht in het oosten of westen te meten. De Jacobsstaf is een eerder instrument dat bestaat uit een lange regel van vierkante doorsnee, voorzien van een schaalverdeling voor ieder van de drie, later vier dwarslatten van verschillende lengte, die over de regel schuiven. In de praktijk gebruikte men slechts xe9xe9n dwarslat voor het uitvoeren van een hoekmeting van respectievelijk minder dan 30xb0, 60xb0 of 90xb0. De waarnemer houdt de staaf met het uiteinde tegen het oog en verschuift de dwarslat tot de onderkant ervan samenvalt met de horizon, de bovenkant met het gepeilde hemellichaam. De gemeten hoek wordt aangeduid op de schaal op het snijpunt van de staf en dwarslat. Grote hoogren waren moeilijk te meten, omdat men hemellichaam en kim niet tegelijk scherp kon zien.
Het Kompas
De roerganger had de taak om het schip op de door de, op het verdek staande officier v/d wacht, aangegeven koers te houden. Een kompas heeft een magnetisch noorden. Bij iedere koers verandering draait het schip als het ware onder de kompasnaald door. De roerganger moet dan de, in graden, op gegeven graad met de kompasnaald volgen door het schip in de goede richting te sturen en te houden.
Het Logboek of Scheepsjournaal
Alle schippers uit de terugkerende vloten moesten hun scheepsjournalen bij de deskundigen uit de betreffende kamer laten bestuderen en op de aan hen gestelde vragen verslag doen over de gemaakte reis.
Foto: Een logoek uit 1761. Dit logboek werd bijgehouden door een kunstzinnige Schipper
In de logboeken werd veel melding gemaakt van de voorkomende winden. Ter verduidelijking hieronder een tabel van de omschrijvingen.
Uit dergelijke logboeken werden de eventuele aanvullingen of wijzigingen in de volgende “Seynbrief”opgesteld. Een Seynbrief gaf aanvullende instrucuties op verschillende trajecten zonder het zeeman schap van de volgende schippers in twijfel te trekken. als voorbeeld een uittreksel uit de VOC-seynbrief van 1617:
In artikel 12:
‘Ende sullen dienvolgende alle schepen, aen Cape de Bona Esperanxe7a ofte aan de Tafelbay ververscht hebbende, voorts haeren cours Oost-aen op de hoochte van 35,36 40 xe0 44 graden Suydelijkerbreedte moeten stelle’
.In artikel 13:
‘De Westelycke winden en de Suydtlandt-stroming hebbenden sullen de schepen minstens duysent mylen Oostelijcken cours houden eer se bysteken op een Noord-Noordoostelijcke cours afgebogen sulxs om regt voor de Straat Sunda uyt te komen’
Staatsbiblothek Preussischer Kulturbesitz, Berlijn.
Deze kaart van Sumatra is in 1620 vervaardigd door Hessel Gerritsz., kaartenmaker van de VOC-Kamer Amsterdam van 1617 tot 1632.
De handelaren die hun rijkdom vergaard hadden in de graanhandel uit het Oostzeegebied waren er ook op uit om de peperhandel uit Indixeb van de Portugezen over te nemen. Toen het aanbod van peper en specerijen in Europa terug liep ontstonden er zogenaamde voor-compagniexebn, die schepen uitrustten om de vaart op Azixeb te ondernemen. Karakteristiek voor de voorcompagniexebn was dat het gelegenheidsonderneming en waren. Voor een expeditie werden schepen gehuurd of gekocht en opvarenden geworven. Na de reis werd de balans opgemaakt, het schip werd verkocht en het personeel afgedankt. Van de eventueel gemaakte winst kon weer een nieuwe expeditie op touw worden gezet. De hele procedure begon dan weer van voren af aan. In Holland en Zeeland werden in de periode 1595-1602 door acht voorcompagniexebn 65 schepen uitgereed voor de vaart op Azixeb. Het voornaamste belang van deze expedities was niet hun financixeble resultaat, maar het feit dat de mogelijkheid van de vaart op Azixeb definitief was aangetoond. De voorspoedige groei kwam echter in gevaar door de zware concurrentie tussen de Zeeuwse en Amsterdamse voorcompagnixebn. Portugal werd op deze manier in de kaart gespeeld. Het bestuur van de Republiek, de Staten-Generaal, vond deze ontwikkelingen zorgelijk. Het waren vooral economische motieven die de raadspensionaris van Holland, Johan van Oldebarnevelt en stadhouder Prins Maurits ertoe brachten om de kooplieden tot samenwerking te dwingen. Dit resulteerde op 20 maart 1602 in de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). De VOC wordt wel de eerste naamloze vennootschap genoemd. Zij dankt dit aan het feit dat zij een in aandelen verdeeld kapitaal had. Voor die tijd was dat zeer modern.

Foto: Algemeen Rijksarchief, Den Haag
Voorpagina VOC-octrooi verleend door de Staten-Generaal op 20 maart 1602.

Foto: Amsterdams Historisch Museum
Vergaderzaal van de Heren Zeventien, het Hoofd-bestuur van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Amsterdam.
Foto: Rijksmuseum
VOC-bestuur Kamer van Hoorn in vergadering bijeen.
Door de Staten-Generaal werd aan de VOC een octrooi verleend voor de handel tussen Kaap de Goede Hoop en Kaap Hoorn. In de zes steden waar voorcompagnixeb gevestigd of in oprichting waren kwamem nu kamers van de VOC: Amsterdam, Zeeland (Middelburg), Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen. Het verkrijgen van het octrooi betekende voor de VOC dat zij voor de Republiek het alleenrecht verwierf om in dit gebied handel te drijven. Tevens werd de VOC gerechtigd om in naam van de Staten-Generaal in het octrooigebied met vorsten overeenkomsten te sluiten, forten te bouwen, oorlog te voeren en lokale besturen te installeren. De VOC kreeg dus rechten die normaal aan een soevereine staat waren voorbehouden. Wat de VOC verder nog bijzonder maakte was dat haar in aandelen verdeeld kapitaal niet na elke expeditie aan de eigenaren werd teruggegeven; het was dus niet meer een gelegenheidsonder neming. In 1602 werd er voor f. 6.424.588 aan kapitaal ingetekend. de organisatie van de VOC, met zes kamers, was gedeceniraliseerd. De verdeling van de activiteiten over de kamers, zoals de bouw en uitrusting van schepen of de in- en verkoop van goederen, werd nauwkeurig vastgelegd: Amsterdam de helft, Zeeland een kwart en de overige kamers ieder een zestiende. Ten aanzien van het bestuur van de VOC bestond een zelfde verdeling. Een kamer werd bestuurd door bewindhebbers, dat was per kamer een vast getal personen, die door de stedelijke overheid of, in het geval van Zeeland, de gewestelijke staten werden gekozen uit een aantal kandidaten dat door de zittende bewindhebbers was voorgedragen. Meestal ging het hierbij om de meest kapitaalkrachtige aandeelhouders. In iedere kamer kozen de bewindhebbers twee- of driemaal per jaar een aantal afgevaardigden die in Amsterdam of Middelburg aan vergaderingen ter bepaling van het centrale beleid deelnamen. In dit college, de Heren XVII, hadden acht Amsterdamse bewindhebbers, vier Zeeuwsw en xe9xe9n uit elk der kleinere kamers zitting. Het zeventiende lid werd bij toerbeurt door Zeeland of xe9xe9n der kleinere kamers geleverd. Amsterdam had zodoende geen doorslaggevende stem. Met name de Zeeuwen waren hier bij de oprichting van de VOC beducht voor geweest. Deze angst was niet ongegrond, want in de praktijk kwam het er inderdaad op neer dat Amsterdam bepaalde wat er gebeurde. Het octrooi van de VOC werd diverse malen verlengd. Gedurende de bijna twee eeuwen van haar bestaan rustte de VOC 4.721 maal een schip voor de vaart naar Azixeb uit. In totaal zond men 3.356 maal van overzee een retourschip terug.
Foto: Scheepvaartmuseum
Retourvloot vertrekt uit Batavia naar Holland
In de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) kwam de financieel ongezonde VOC in moeilijkheden, doordat er enige jaren geen rijkbeladen retourvloten naar de Republiek kwamen. In 1795 werd de VOC genationaliseerd; in 1799 verliep het laatste octrooi en waren de bezittingen aan de overheid vervallen.
Vierdaagse Zeeslag
Foto: VOC-Kenniscentrum